NEN1010-installatie niet per definitie brandveilig
NEN 1010-installaties en brandveiligheid; een veelbesproken onderwerp waarover nog veel onduidelijkheden bestaan. Richard Groenewegen, auteur van onder andere ‘NEN 1010: Installatievoorschriften in theorie en praktijk’ vindt dat de norm NEN 1010 tekort schiet als het gaat om de voorschriften omtrent brandveiligheid. ‘Een NEN1010-installatie is niet per definitie brandveilig.’
Tekst: Anne-Claire van de Vendel / Uitgeverij Delta Press
De NEN 1010 is voor geen enkele installateur of elektrotechnicus onbekend terrein. De norm bevat immers bepalingen voor het ontwerp en de realisatie van veilige, doelmatige en goed functionerende elektrische installaties. Bepalingen waarvan je mag verwachten dat deze brandveiligheid hoog in het vaandel hebben staan. ‘Maar dat is niet helemaal juist’, zegt Groenewegen, die naast zijn auteurswerkzaamheden leiding geeft aan het gelijknamige inspectiebureau en cursusaanbieder Ambitech. ‘De NEN 1010 richt zich op het voorkomen van brand, die door elektrische installaties zelf worden veroorzaakt. Maar wat moet je eigenlijk doen om installaties zo optimaal mogelijk te beschermen tegen een brand die door een externe oorzaak ontstaat en overslaat naar een elektrische installatie? Daar richt de NEN 1010 zich niet of nauwelijks op.’
Bekabeling
Eén van de belangrijkste manieren om een elektrische installatie brandveilig te maken voor externe branden, is een goede, gedegen bekabeling. In de meeste moderne gebouwen is de hoeveelheid kabels groot en neemt deze steeds weer toe. De hoeveelheid kabels per vierkante meter kantoorgebouw varieert al snel van 2 kg kabel voor een eenvoudig kantoor tot 5 kg voor een moderne ICT-omgeving. In veel gebouwen wordt gewerkt met kabelladders en draagsystemen, waarvan de kabels per strekkende meter 5 tot 10 liter brandbaar kunststof bevat.
‘Met deze gegevens in je achterhoofd kun je al snel concluderen dat een goede bekabeling van elektrische installaties, zoals een nood- of vluchtwegverlichting, van groot belang is’, merkt Groenewegen op. Eén van de manieren om dit te bewerkstelligen is het gebruik van kabels met functiebehoud. Kabels die bij een installatie worden gebruikt, moeten tijdens een brand lange tijd betrouwbaar blijven werken. Deze eigenschap wordt aangeduid met functiebehoud. Kabels met functiebehoud moeten minimaal 30 minuten na het ontstaan van een brand blijven functioneren. Het komt er op neer dat binnen 30 minuten na het ontstaan van een brand geen draadbreuk en/of sluiting in de kabel mag ontstaan als gevolg van de brand. Groenewegen: ‘Het is een hele eenvoudige manier om de brandveiligheid te optimaliseren. Om voldoende functiebehoud van de kabels te kunnen waarborgen is het echter wel noodzakelijk om één of meerdere speciale voorzieningen te treffen.’
Naast het gebruik van kabels met functiebehoud adviseert Groenewegen ook het gebruik van halogeenvrije kabels. Groenewegen: ‘Deze kabels dragen bij aan een verhoogde veiligheid. Ze produceren bij brand minder zoutzuur en koolmonoxide dan conventionele kabels. Dit voorkomt dat aanwezigen stikken voordat ze bij de uitgang zijn. Je kunt het risico nooit helemaal tot nul brengen, maar wel een behoorlijk stuk reduceren.’
Schoorsteeneffect
Een andere manier om het risico van een overslaande brand op een elektrische installatie te verkleinen, is een goede bouwkundige afwerking van de betreffende installatie. ‘Dat laat in de meeste gevallen nog wel eens te wensen over’, vindt Groenewegen. ‘De afwerking van een installatie is net zo belangrijk als het plaatsen en installeren. Tijdens de afwerking moeten bijvoorbeeld de gaten op plaatsen waar kabels door brandscheidingen lopen, op een goede manier afgedicht worden. Ook dit moet op zo’n manier gebeuren dat de brandveiligheid van de complete installatie wordt gewaarborgd. Als dit niet goed gebeurt, kan dit grote gevolgen hebben wanneer er een brand uitbreekt.’
Als voorbeeld noemt Groenewegen de grote brand van 2003 in het gebouw van Rijkswaterstaat in Lelystad. Bijna het hele gebouw ging in vlammen op doordat een elektrische installatie vlam vatte bij een externe brand en de bouwkundige afwerking van de installatie niet goed was uitgevoerd. ‘Er ontstond een schoorsteeneffect’, blikt hij terug. ‘De kabelschacht die door het hele gebouw liep, was niet goed afgedicht. Hierdoor staat in korte tijd het hele gebouw in de brand en is de schade enorm.’
Periodieke inspecties
Naast een goede bekabeling en afwerking spelen ook eventuele uitbreidingen een rol bij het wel of niet brandveilig-zijn van een installatie. Een veelvoorkomend misverstand is dat een uitbreiding van een installatie geen consequenties heeft op de bestaande installatie. ‘Bij de aanleg van een nieuwe installatie wordt deze helemaal berekend. Hoe groot moet de groepenkast zijn? Wat kan de installatie aan? Maar bij een uitbreiding wordt in de meeste gevallen niet gekeken naar de extra belasting die dit met zich meebrengt. Voor die één of twee extra installatieautomaten wordt geen compleet nieuwe groepenkast neergezet en voor die paar extra kabels wordt geen extra kabelladder opgehangen. Maar als je dat een paar keer doet, ben je wel ondertussen aangeland bij een minder veilige installatie.’
Dé manier om mankementen aan elektrische installaties te voorkomen is een periodieke controle. ‘Als elektro-installateur leg je een elektrische installatie aan. Maar wie kijkt er daarna nog naar? Hoe ver gaat de blik van de installateur bij uitbreidingen? Daarnaast valt de bouwkundige afwerking niet onder de verantwoordelijkheid van de installateur. Dat is de taak van een ander en dan is het maar net de vraag of deze persoon dit op een veilige manier uitvoert. Onveilige situaties ontstaan vaak wanneer er bijvoorbeeld een extra kabel wordt toegevoegd. De afdichting wordt provisorisch gedaan of zelfs helemaal niet. Alleen bij een deugdelijke inspectie wordt gekeken naar deze veiligheidsaspecten. Eventueel wordt met een thermografiecamera gekeken naar ‘warme plekken’, die kunnen leiden tot oververhitting.’
Minimale eisen of zekerheid?
Kort samengevat moet er dus nog heel veel gebeuren aan een elektrische installatie om deze brandveilig te maken. Alleen het naleven van de NEN1010-bepalingen lijkt niet voldoende te zijn. ‘Als je een installatie zo brandveilig mogelijk wilt hebben, en dus ook voor externe branden, dan houdt het niet op bij de bepalingen in de norm. Maar of je verder gaat dan het alleen naleven van de wettelijke verplichtingen ligt aan jezelf.’
Dit lijkt in eerste instantie misschien vreemd. Wettelijke voorschriften die niet waterdicht zijn wat betreft brandveiligheid. Groenewegen heeft een heel duidelijk antwoord: ‘Ik vergelijk het altijd met een auto. Je kunt een Fiat kopen, die voldoet aan alle veiligheidseisen en lekker op pad gaan. Maar je kunt ook een BMW aanschaffen en profiteren van meer comfort en veiligheid. Zo zit het ook met elektrische installaties. Ga je voor de minimale eisen of wil je iets meer zekerheid?’
Naslagwerk
Desalniettemin is Groenewegen van mening dat de NEN1010 best iets meer informatie mag verschaffen over deze extra veiligheidsmaatregelen. ‘Naast brandstichting is brand in elektrische installaties de grootste oorzaak van branden in gebouwen, waarbij ook nog regelmatig slachtoffers vallen’, weet hij te vertellen. ‘In een scheepswerf in het Drentse De Punt vonden in 2005 drie brandweermannen de dood tijdens het bestrijden van een felle brand die begon in de elektrische installatie. Een trieste zaak. Vorig jaar heb ik nog onderzoek moeten doen naar een brand waarbij een aantal brandweermannen zich ternauwernood konden redden. Ook hier was een gebrekkige elektrische installatie die oorzaak van de brand.’
Om de onterechte opvatting te weerleggen dat elke NEN1010-installatie per definitie brandveilig is, heeft Groenewegen extra informatie toegevoegd aan zijn naslagwerk ‘NEN1010: Installatievoorschriften in theorie en praktijk’. Dit naslagwerk vertaalt de NEN1010-bepalingen naar de praktijk en wordt door veel installateurs en elektrotechnici gebruikt. ‘Het oorspronkelijke doel van mijn boek was om de gortdroge bepalingen gebruiksvriendelijker op papier te zetten, zodat deze eenvoudiger zijn toe te passen in de praktijk’, legt Groenewegen uit. ‘Maar gezien het toch wel grote aantal ongelukken met elektrische installaties zag ik mij genoodzaakt om van de oorspronkelijke bepalingen af te wijken. Wat heb je aan een naslagwerk wanneer deze je niet wijst op de eventuele extra maatregelen om de installaties wel goed brandveilig te krijgen?’
Door de abonnementsvorm die aan het naslagwerk vastzit, waarmee gebruikers twee tot drie keer per jaar een aanvulling krijgen, kan Groenewegen goed inspelen op de actualiteiten. Zonodig kan hij op elk gewenst tijdstip extra informatie toevoegen om de veiligheid zoveel mogelijk te waarborgen. ‘De normbepalingen zijn erg belangrijk en extra informatie is nooit weg. Als ik door kennisoverdracht één brand kan voorkomen, ben ik al tevreden!’
Bron: Intech



